05/01/2012
Ik
sta tussen de bomen. Naast me zie ik doorheen een omheining een
aantal zwanen. “Waarom gaan jullie niet naar de rivier verderop om
te zwemmen?” vraag ik. De zwanen lijken het met me eens te zijn.
Dan zegt er eentje: “Die rivier ligt buiten de tuin, daar gaan we
niet heen.” Ik haal mijn schouders op en ga zelf naar de rivier.
Deze steek ik over (hoe is niet duidelijk). Aan de andere kant van de
rivier drijven een aantal stalen balken waar je op kan staan.
Daarnaast is een soort van riviertje. Een vuile rivier. De sloot van
de rivier? Ik balanceer me een weg over de balken heen tot op het
punt waar de balken overgaan naar een pad. Net voor ik op het pad
geraak val ik toch nog in de vuile rivier-sloot. Ik trek mezelf eruit
en ga verder langs het pad. Deze leidt naar een erg steile berg. Op
de top van die berg loopt een zwart paard met een zwart geklede
ruiter. Beiden bestaan uit een soort van wol. Ze komen naar me toe en
blijken erg klein te zijn. Of ben ik juist enorm groot? In ieder
geval, veel hoger dan mijn knieën komen ze niet. Ik vraag de ruiter
(die wel iets weg heeft van Zorro) waarom hij niet van het paard
afkomt. De ruiter legt me uit dat de berg zo steil is, dat hij enkel
naar de top durft te gaan als hij op het paard zit. Hij heeft het
paard ooit in deze bergen ontdekt. En zag dat het paard als enige en
met een groot gemak de top kon bereiken. Sindsdien zijn ze
onafscheidelijk. Ik trek verder en kom thuis terecht. Mijn moeder wil
wat spullen naar de zolder verhuizen, waaronder tuinkabouters. De
tuinkabouters leven, enkel weet niemand het. Ik weet niet meer wat
precies, maar iets vormt een bedreiging voor deze tuinkabouters. Ze
proberen zich schuil te houden. Ik ga verder naar mijn kamer (dat
mijn kamer niet is) en verstop twee koffiekopjes onder het bed. Het
waren roze koffiekopjes.
08/01/12
Ik
bevind me in een synagoge. In de recreatieruimte van een synagoge.
Enkele Joden zijn aan het biljarten. Van op een kleine afstand
aanschouw ik hen. Wanneer er een paar andere mannen komen biljarten
vallen twee figuren me meteen op. De ene met een vrij normaal postuur
en een erg aantrekkelijk gelaat, de andere erg groot en struis, met
een vriendelijk, doch plomp en wat boers gelaat. De aantrekkelijke
man interesseert me. Ik ga naar de biljarttafel toe en besluit mee te
spelen. Ik spreek de man aan, maar zijn vriend antwoordt. De
aantrekkelijke man spreekt geen Engels (wat kennelijk de voertaal is
in mijn droom). Ik probeer mijn interesse in hem subtiel duidelijk te
maken via de vriend. De vriend vraagt of ik met hem uit wil. Ik,
denkende dat hij voor de aantrekkelijke man praat, antwoord verheugd
“Ja!”.
De
avond van de date hebben we ergens in de stad afgesproken. Ik
sta klaar, te wachten. In de verte zie ik dan de struise kerel
opduiken en besef wat er aan de hand is. -De date zelf heb ik
niet gedroomd.- De man wandelt met me tot aan m’n kot (wat mijn kot
niet is). Hij komt mee naar binnen. De muren van de gang bevatten vele
mooie kleuren, in iets wat op mozaïek lijkt te zijn geschilderd.
Mijn kot zou zich helemaal bovenaan bevinden. Ik vraag hem de deur
van de ingang te sluiten omdat anders de kleuren zouden ontsnappen.
Eenmaal boven blijk ik terug alleen te zijn. Een vriendin belt me op.
De vriendin ben ikzelf. Ze zegt me dat ze een vreselijke dag achter
de rug heeft. Ik zeg haar dat die niet erger kan zijn dan de mijne.
Ze vertelt. Blijkbaar wou ze een citroentaart bakken voor een zieke
vriendin en was die gevallen op de grond en was alles verpest. Ze gaf
de schuld aan haar nieuwe jas, die gemaakt is van nepbont. We spreken
af op straat, in dezelfde omgeving als waar ik mijn met mijn date
had afgesproken. “Het is een ongeluksjas,” zegt ze meteen. Ze
schuilt onder de jas alsof het een dekentje is. Ik vertel haar over
mijn dag en samen concluderen we dat mijn dag misschien toch net
ietsjes erger was. Ze maakt plaats onder haar jas en samen schuilen
we eronder.
09/01/12
Ik
(hoewel ik ik niet ben) sta samen met nog een paar mensen (die me ook
onbekend zijn) in een nogal verlaten deel van een stad voor een
aanzienlijk groot gebouw. Of wat ervan overblijft. Het heeft meer
iets van een ruïne. Jaren geleden (iets zegt me rond de jaren '70)
heeft er een brand plaatsgevonden dat heel het gebouw bijzonder
beschadigd heeft. Ik kijk rond en zie dat we te midden van kiezels en
keien staan. Ik kijk op en merk dat de buitenmuren van het gebouw op
zodanige wijze beschadigd zijn dat er een link is tussen de stenen en
de schade. Na de brand was er kennelijk een storm. En de vele keien
en kiezels in omstreken vlogen daardoor steeds weer tegen de muren
aan die het gebouw dus verder beschadigden. We gaan naar binnen.
Alles ligt er verlaten, stoffig en troosteloos bij. We komen bij een
grote, ooit vast behoorlijk imposante trap. Ik merk op tegen de
anderen dat ik hier nooit (mijn?) kinderen op zou laten stappen,
omdat de treden teveel plaats tussen zich in hebben en ze er daardoor
gemakkelijk door kunnen vallen. We stappen verder, naar boven, via
een plank die op de trappen leunt. Op de eerste verdieping kom ik in
een kamer terecht waar heel de sfeer anders is. Alsof ik in een ander
gebouw stond. Ik zeg ik, omdat op dat moment de anderen niet bij me
zijn en ik effectief mezelf ben. In deze ruimte, dat een living is,
zie ik een peuter en een hond. De hond zorgt voor de peuter (een
beetje zoals Nana van Peter Pan).
Overal hangen en staan foto's van het kleintje. Voor de één of
andere reden houdt ze in elke foto haar hoofdje schuin. Wanneer ik
dit opmerk kijk ik haar aan en net dan draait ze haar hoofdje, ook
schuin. Ik verlaat deze ruimte en ga verder. Weer ben ik mezelf niet
en ben ik in groep. We gaan een verdieping hoger. Deze verdieping
heeft geen vloer. Enkel de balken waar de vloer ooit was. Op die
balken staan enkele naakte etalagepoppen, maar in plaats van
geslachtsloos te zijn, hebben deze wél geslachtsdelen. Ik blijf
alleen over met iemand van de groep. We liggen beiden op de balken.
Ik kijk niet naar beneden, maar weet dat ik de diepte in kan storten.
De persoon voor me is naakt. Ik ook. Ik blijk een man te zijn. De
persoon voor me heeft een penis, maar eentje van plastiek of iets
dergelijks. Dezelfde als die van de etalagepoppen. Hij begint te
masturberen en ejaculeert de lucht in. Ik ben bang voor waar het
sperma terecht zal komen, maar het sperma eindigt op een of andere
manier in een condoom.
10/01/12
Ik
wandel met m'n vader richting ons huis, dat in plaats van in
Auvelais, in Antwerpen staat. Op de plek waar normaal het centraal
station gelegen is. Het ziet er groter uit dan anders. Ik zeg dan ook
tegen m'n vader: “Het is écht een groot huis, hé..”. Hij gaat
akkoord. Eenmaal binnen blijken we toch in een treinstation te zijn.
Vader moet zijn trein halen om naar zijn werk te gaan. Ik vergezel
hem nog tot aan zijn perron. Hij moet zich haasten. Onderweg zegt hij
me dat als ik me haast ik mijn trein ook nog zou kunnen halen en dat
mijn perron vlak onder de zijne zou moeten zijn. We nemen afscheid en
ik haast me naar mijn perron. Eenmaal daar staan er twee kerels op
het perron te discussiëren voor een tafel. Op de tafel liggen wat
schetsboeken. Eén van de kerels heeft zijn schetsboek vol gekke
figuren geschetst. Hij tekent heel goed. Ze keren zich naar mij toe.
En bekijken mijn schetsboek, dat uit het niets ook op tafel ligt.
Mijn schetsboek bevat ook wat figuren en een wortel. “Je tekent
goed,” zegt hij. “waarop zijn deze gebaseerd?” Ik zeg hem dat
de meeste wel van foto's zullen zijn. Daarop komt een docent (een
onbekende dame) achter ons staan en vraagt of ze even met me kan
praten. Ze vraagt of ik haar wat moet vertellen over de les van
morgen. Ik meld haar dat ik morgen wat later zal zijn, omdat ik nog
naar de dokter moet. “Gewoon de dokter?” vraagt ze. “De
gynaecoloog,” antwoord ik (ik ga morgen effectief naar de
gynaecoloog). Ze geeft me een blik die doet vermoeden dat zij
vermoedt dat ik zwanger zou zijn. “Het is voor de pil,” zeg ik
nog. Het is te laat. Zij heeft haar conclusies al getrokken. Dan komt
Noémi, een medestudente (waarmee ik nog in het middelbaar heb
gezeten, maar sindsdien niet meer gezien heb), ertussen en zegt dat
de pil veel beter is dan condooms. Ik zeg haar dat de pil goed is als
jij en je partner elkaar volledig kunnen vertrouwen, en als jullie al
enige tijd samen zijn etc, maar dat condooms wel het enige
voorbehoedsmiddel zijn die soa's kunnen tegenhouden. Ze trekt zich
terug.
Ik
bevind me plots toch thuis. Alle ruimtes zijn groter dan anders. Ik
wandel door de gang, waar een miniatuur-trein (een speelgoedtrein?)
aan het rijden is. De trein moet opgewonden worden en stoot
voortdurend tegen stoelen, muren, ...
11/01/12
Ik
verlaat net een restaurant met een paar vrienden. We wandelen door de
Chinese wijk. Ik zie rode gevels van 'Chinese gebouwen' . We wandelen
naar het strand. Ik zie het strand en de zee in de verte. Voor het
strand is er een stuk harde grond dat erin overgaat. Het stuk grond
staat een beetje onder water. Ik val net daar en klamp me vast aan
Laurens been. Hangend aan haar been trekt zij me verder naar het
strand toe. Kirsten legt haar handdoek al klaar. Ze gaat de zee in.
Ik blijf achter met nog een paar mensen op het strand. Tussen twee
handdoeken in leg ik de mijne. Iemand stelt voor om poker te spelen.
Ik, niet echt een poker-expert, sta er weigerachtig tegenover. Plots
sta ik in Leens living. Jonas' haar is rood geverfd. Het lijkt alsof
ze gewoon een potje rode verf over z'n hoofd hebben gegoten. Haar
moeder vraagt me wat tasjes uit te halen. Witte tasjes die iets
smaller onderaan zijn en dan verwijden naar boven toe. Ik kan de
tasjes niet vinden.
12/01/12
Leen
en ik zitten verstopt achter een kast in de tv-kamer in huize
Wittocx. We verstoppen ons voor het gas dat we rond gespoten hebben.
Slaap-gas. Het slaap-gas dient om een spin te vergassen die we
proberen te vangen. Tatiana komt de tv-kamer binnen en kijkt naar
mijn videocassette van As Told by Ginger.
13/01/12
– 1
Kim
en Heleen hebben een hobbywinkel. Leen en ik gaan naar binnen. Als we
binnenkomen zitten Kim en Heleen links in de winkel, in grote,
moderne zetels. De zetels zijn naar de muur gekeerd, van de klanten
weg. We naderen hen, en ik zie dat ze beiden aan iets aan het
knutselen zijn. Heleen heeft een baby op haar schoot. Het is hun
baby. Leen kietelt de baby een beetje en vraagt of ik haar wil
vasthouden. Ik wil wel, en wanneer ze me haar wil geven laat ik haast
de baby vallen. Gelukkig niet. Het is een mooie baby. Ze lijkt een
beetje op Nina.
13/01/12
– 2
Ik
bevind me in de slaapkamer van een koningin of iemand dergelijks. Hoe
weet ik niet, maar ik heb haar per ongeluk vermoord. Ik besef dat ik
van het lijk af moet zien te geraken. Ik hak het lijk in stukken (ik
geloof met een bijl). Op het punt dat enkel haar rechterarm nog aan
haar schouders en hoofd verbonden is beweegt de arm. Ik panikeer en
hak het overige in stukken. Iemand klopt aan de deur, vragend of het
nog lang zal duren. Ik maak onomatopeïsche geluiden in de hoop zo
van hen af te geraken. Ik houd de vrouw haar tuniek omhoog en vraag
me af wat ik hiermee moet doen. Het is groen met vooraan bruine,
glinsterende pareltjes. Ik open haar kleerkast en zoek naar een
kleedje en schoenen. Ik moet de juiste schoenen vinden, want zo
meteen moet ik naar een feest (trouwfeest?). De schoenen moeten mooi
en elegant zijn, maar ook comfortabel omdat ik er zeker een half uur
in moet kunnen rechtstaan. Ik ga naar het feest. Het is buiten en
de zon is al onder gegaan.
14/01/12
– 1
Ik
sta naakt in een badkamer. Achter het douchegordijn, dat open staat,
is de kraan en ik probeer er te geraken. Dat lukt nauwelijks, maar
als ik lichtjes op de badrand leun gaat het nog en ik draai de kraan
open. Het water wil niet echt warm worden. Een kerel komt binnen en
vraagt of het lukt. Ik zeg hem dat het water niet echt warm wil
worden. Ik zet me gehurkt in bad en hij regelt het water. Er staat
een spotlight op het bad gericht. De kerel zegt iets over het licht,
en dat ik misschien beter het algemene licht kan aandoen. Daarna
vertrekt hij. Vanuit het bad heb ik zicht op de stad. Ik zie de
lichten branden vanuit andere gebouwen en vraag me af of ik misschien
niet beter het licht kan dimmen, omdat men anders binnen kan kijken.
14/01/12
– 2
Ik
daal met m'n vader de roltrappen af. Bart en Nico staan er ook bij.
Vader vraagt zich af of hij en moeder nog samen moeten blijven. Ik
probeer in deze situatie neutraal te blijven. Nico zegt wat over dat
hij wel een mening heeft, maar gezien zijn “uitbundige levensstijl”
hij deze misschien beter voor zich houdt. We komen thuis aan. Mams
ligt nog in bed. Vader heeft een bord met groentjes en vis. Ik maak
voor mezelf en Tatiana wat frikandellen, frietjes, en kaaskroketten
klaar.
14/01/12
– 3
Ik
zit met Bart in een stad op een bankje in een grote, maar vrij lege
straat, tegen een bushokje. Het bushokje heeft ramen, maar je kan er
niet binnen zien. Nikita en Jona gaan lachend het bushokje binnen. Ze
sleurt een koffer op wieltjes met zich mee die half open staat. Bart
en ik liggen nu zoenend op het bankje. Na een poosje komen Nikita en
Jona het bushokje weer uit. Ook lachend. Ik vraag haar of ze wat
stiller kan zijn, want dat ik het wel even gehad heb. Daarop reageert
zij met:”Ja, jij moet veel zeggen! Ooee! Ahhh, ahhh! Ja! Ahh!”
verwijzend naar Bart en ik als we seks hebben (in de privacy van ons
kot), en ze loopt verder. Wij gaan naar onze auto (want in mijn droom
hebben we een auto), die geparkeerd staat tussen enkele andere
auto's. Ik open de koffer en zet me daar even, om mijn schoenen of
sokken wat goed te zetten. Ik kijk op en zie een man een paar andere
mensen één voor één bedreigen. Hij richt zich tot Bart en begint
Bart ineen te slaan. Ik ga naar Bart toe en vraag of hij oké is. Een
vrachtwagen volgeladen met paletten met blikjes frisdrank lijkt de
controle te verliezen en stoot alvorens neer te gaan tegen onze auto
aan. Hierdoor vallen enkele paletten in onze auto. Ik panikeer en
probeer met Bart in de auto zo snel mogelijk weg te geraken van al
deze bedreigingen. We komen bij een soort garagist terecht die onze
auto bekijkt en zucht. Hij haalt de paletten eruit en begint deze te
kuisen.
19/01/12
Tatiana
en ik staan in een bos. We wandelen richting mijn huis. Hoe meer we
het huis naderen, hoe gestileerder de omgeving wordt. Ook gaat het
landschap over van bos naar weide. Uiteindelijk bevinden we ons in
een weide vol gestileerde bloemen. Verderop in de weide staat mijn
huis. Tatiana merkt op: “Het ziet er heksachtig uit”. Ik knik en
antwoord: “Inderdaad, maar het is het huis ernaast”. Ik ga naar
binnen. Tatiana is niet langer bij me. Ik kom een vreemdeling tegen en begin met hem te vrijen. Het blijkt Bart te zijn. We
haasten ons om onze kleren terug aan te trekken, want Serges komt
thuis.
Ik
ben omringt door familie. Ylias ligt vredig in mijn armen te slapen.
Hij is zacht en snoezig. Het schattigste baby'tje dat ik me zou
kunnen inbeelden. (Ergens doet hij me denken aan de mannetjes die ik
aan het maken ben voor mijn bachelor-film. Dat heeft wellicht met
zijn pose te maken.)
Ik
ga naar buiten. Het is donker. Van de weide is niets meer te
bespeuren. Ik sta op straat die enkel verlicht is met de oranje gloed
van straatlantaarns. Enkele modellen zijn aan het poseren voor
foto's. Ze moeten agressief poseren. Eén meid valt op. Ze heeft een
zwart leren pakje aan (catsuit). Ze is kwaad. Gooit zichzelf in het
rond als een bezetene. Heen en weer door de straten. De kans op
lichamelijke schade is groot.
20/01/12
Ik
heb Ylias in mijn armen. Weer als baby en weer ziet hij er
ongelooflijk schattig uit. Iedereen gaat naar bed. Een onbekende zet
het huis in brand. Het huis oogt ruïne-achtig. Enkel de kamer van de
baby is brandveilig. Daar heeft de onbekende goed voor gezorgd (door
onder meer de deur-randen van de andere kamers met brand..vloeistof
in te smeren... Ik weet dit alles, maar ik zie het niet gebeuren. Ik
zie het gewoon aan de omgeving zelf.)
Achteraf
bleek het Marie-Jeanne te zijn. Ze had de babykamer gevrijwaard omdat
ze de baby wou stelen, na iedereen in de brand omgebracht te hebben.
22/01/12
Het
is oorlog. Twee kameraden zijn aan het vechten tegen de vijand.
Eenmaal dat de zaken ietwat gekalmeerd zijn gaan ze in conversatie
met elkaar. De ene lijkt op Heath Ledger. De andere kijkt om zich
heen en zegt tegen '”Heath”
dat het een mooie dag om
te sterven is. Het is herfst en alles verdort. Alles gaat dood.
Ideaal om te sterven. Ze komen aan bij een meer. Het is erg ondiep.
Ze steken het meer over. Ergens halverwege vallen ze. Ze vallen in sneeuw. ”Heath” ligt onder een boom in de sneeuw naar boven te
kijken. Naar de vallende sneeuwvlokken. Naar de donkere sterrenhemel.
Hij lijkt gelukkig. Zijn vriend zoekt hem, samen met diens dochter.
Uiteindelijk vinden ze hem en brengen ze hem mee naar hun huis.
24/01/12
– 1
Vogels
vluchten vliegend in formatie. In een soort van schuur komen ze tot
stilstand vanwege een hindernis. Ze moeten vrijen, in twee groepen
verdeeld. Er zijn maar twee mannetjes. Eén van de vrouwelijke vogels
van groep a spreekt de mannelijke vogel van groep b aan. “Spijt dat
je niet bij mij bent?” vraagt ze. De mannelijke vogel schenkt er
niet erg veel aandacht aan. De vrouwelijke vogel begint een salade
voor te bereiden. Het is een erg zoete salade. De groep is er
tevreden mee. De mannelijke vogel van groep b schijnbaar niet.
24/01/12
– 2
Ik
(maar ik ben ik niet, ik ben een kerel) probeer me tegelijk schuil te
houden voor, als iemand te volgen die onzichtbaar is. Ik volg hem de
trap op. De onzichtbare man houdt iemand dreigend uit het raam. Hij
laat de kerel vallen, maar die overleeft het. Vervolgens gebruikt hij
magie waardoor ik geen controle heb over m'n eigen lichaam. Hij
brengt me dichter naar hem toe en vertelt me dat ik de rituelen moet
zien om het te begrijpen. Vervolgens zwiert hij me ook het raam uit.
Beneden op straat, in het donker, staat een kerel in een
struikgewas/spar-kostuum. Hij zegt minder gegeneerd te zijn over zijn
manier van dansen en danst de straat door. Ik ga naar binnen. Ik ben
mezelf en bevind me in de living in Auvelais. Ik ga onder/voor de
open haard liggen. Deze brand. Boven me hangt kerstverlichting te
branden. Ik merk op dat er geen muziek op staat. Ik lig te staren
naar de kerstverlichting. Dan sta ik op en ga naar buiten, in de
tuin. Het is dag. Ik neem aan dat het lente of zomer is, want alles
staat groen. Ik ga tot het einde van de tuin en beklim wat bomen.
Iets in de sfeer zegt me dat de bomen proberen om me wat duidelijk
te maken. Ik ga verder en trek naar een heuvelachtig graslandschap.
Ik bevind me tussen een groep mensen. Het zijn magische wezens. Het
ritueel gaat zich hier plaatsvinden. Eén van de wezens, het lijkt een
dame, maar ik ben niet zeker, gaat naar voren. Ze heeft een soort
holle krans-schaal vast. Ze gaat het meer in. Ergens te midden van
het meer blijft ze staan. Ze vult de schaal met water van het meer en
gooit het water met een grote zwier achter zich. Het water gaat in
cirkelvorm om de dame heen tot het in het meer belandt. Even is het
stil, maar dan beginnen de wezens te applaudisseren. Ze komen allen
naar het meer toe. Ze gaan er allemaal in.
25/01/12
Ik
praat met iemand die ik onlangs hem leren kennen en vertel hem over
mijn bachelorfilmpje. Ik zeg hem dat er een tentoonstelling rond
wordt gehouden. Hij antwoordt dat hij daar graag bij wil zijn. Ik
panikeer, gezien er niet echt een tentoonstelling rond gehouden
wordt.
Op
het Rits probeer ik collega's en docenten mijn situatie duidelijk te
maken. Verrassend genoeg lijken ze het spel te willen meespelen en
creëren we gauw een tentoonstelling op de animatie-afdeling zelf. Ik
sleur enkele “pilaren” de ruimte rond waar ik enkele van mijn
plasticine popjes op kan plaatsen. In de projectieruimte zet ik
enkele filmpjes klaar van animatietestjes die ik al gemaakt had. Inge
komt de ruimte binnen met de beentjes van de pop van Silke en zegt
dat deze wel te gebruiken zijn voor mijn poppen. Bij het zicht van de
afgerukte benen bedenk ik me dat Silke me gaat vermoorden als ze
merkt dat de beentjes van haar poppen weg zijn.
29/01/12
– 1
Ik
sta in een stad. Het regent. Ik wandel voorbij een garagist. Om de
zoveel klanten is er een gratis auto-onderhoud. Ik wandel verder tot
aan de kaaien. De brug staat open. Er moet een boot langs. Ik ga een
trap af en wandel langs het kanaal. Op mijn pad zie ik voor mij een
hele hoop kittens. Ik probeer er langs te gaan via een net dat boven
het kanaal hangt. Ik sukkel me er een weg langs. Amelie, die uit het
niets lijkt te verschijnen, vraagt me of ik geen kitten wil. Ik zeg
dat ik er wel wil, maar dat Bart het niet wil hebben. Dat dat mag als
we later een eigen huis hebben, maar niet zolang we op kot zitten.
29/01/12
– 2
Ik
betreed m'n set op de animatie-afdeling Iedereen is daar. Jan
M. is een camera aan het testen. Ik wil niet gefilmd worden,
dus ik verplaats de camera. Twee meisjes zijn in mijn set aan het
werken. Ik erger me en vrees dat ze mijn belichting zullen verpesten.
Jef staat achter het gordijn, in de andere ruimte, te filmen. Wat
hij animeert is ergerlijk goed. Ik probeer een nieuwe pipsqueek te
maken.
01/02/12
– 1
Bart,
Leen en ik zijn aan het fietsen. De straat waar we ons bevinden gaat
verderop over in een lus. Die passeren we moeiteloos. We fietsen
verder, over dezelfde straat, maar doorheen bossen. Voor ons is op
straat is er een grote plas. Daar glijd ik uit. Bart en Leen stappen
af. Links van ons is een meer. Ze gaan er in staan. Ik durf niet. Ben
bang dat het water mijn schoenen zou beschadigen.
01/02/12
– 2
Twee
families zitten in een vete. De kinderen van beide families wensen
dit op te lossen. Men weet beide families samen te brengen in een
ruimte om het uit te praten. De zoon van familie a is echter in een
soort van discussie verwikkeld met zijn vader omdat gebleken is dat
de zoon homo is. De vader erkent zijn zoon niet langer. De zoon
verlaat de kamer via het raam. Hij gaat een ladder af. Onderaan de
ladder is een groot zwembad gelegen. De zoon laat een ei vallen (laat
die vallen, dus hij legt geen ei). Het ei breekt bij contact met het
water. Hij laat een tweede ei vallen en hoopt het eigeel heel te
kunnen houden. Dit lukt niet.
01/02/12
– 3
Ik
ren door de straten. Probeer te schuilen voor een hond die me
achterna zit. Ik kom uit bij een kerk, maar daar is een trouw aan de
gang en ik wil deze niet verstoren. Ik ga verder en kom een school
tegen. Hier ga ik naar binnen. De trap op. Ik zoek een kamer die me
toegewezen is (in mijn droom wordt die me niet letterlijk toegewezen,
maar ik weet dat er één voor me is). Ik zoek naar de kamer met op
de deur een soort van homoseksueel, maar toch weer niet homoseksueel
symbool. Het symbool voor homoseksualiteit heeft iets weg van
vuurwerk dat ontploft is, of de bladeren van een palmboom. Gestileerd
weliswaar. Ik vind mijn kamer niet. Enkel kamers met op de deur een
davidster. Ik ga een kamer binnen en kom uit in een gym. Het is de
gym van school. Ze is gigantisch en erg duur. Ik vind iemand die me
wil begeleiden naar mijn kamer. Ik denk dat het een docent is, maar
ben niet zeker. We gaan weer langs een trappenhal. Daar staan een
hoop gadgets, make-up, en andere prullaria gestapeld. Ze zijn bedoeld
om weg te geven. Ik ga er eens door en neem wat me interesseert. De
begeleider wacht niet op me. Ik geraak hem kwijt.
Ik
wandel verder en kom uit in de living van Leen. Daar proberen enkele
kinderen de davidster te tekenen. Het lukt hen niet. Ik toon hen hoe
het moet. Mama komt binnen. Ik volg haar naar haar boven. In het
voorbijgaan van haar kamer vang ik een glimp van een rek vol met
lingerie. Ze heeft meerdere setjes die hetzelfde zijn.
02/02/12
- 1
Bart
en ik zijn op reis. Ik geloof dat we ons in Schotland bevinden,
hoewel het meer iets lijkt te hebben van Ierland. Bart laat me even
achter in een soort winkelstraat terwijl hij de bagage weg brengt. Ik
voel me verdwaald. Ik vraag enkele mensen of dit Aberdeen is. Niemand
lijkt het me te willen zeggen. Ik ga een winkel binnen. Het is een
winkel die zowel kledij als snoepgoed verkoopt. Ik zie enkele
snoepjes die me nuttig lijken voor Silke's bachelorfilm.
De
ingang/uitgang heeft een trapje. Als je de een bepaalde grens van dat
trapje raakt komt er een soort security tevoorschijn die van snoep
gemaakt lijkt te zijn. Ook zijn het lekkere binken. Ik bedenk me dat
deze kerels ideaal zouden zijn voor een stripact voor een
vrijgezellenfeest. Ze zien er goed uit en achteraf kan je ze opeten.
Ik wil er verder op ingaan, maar de kerels zijn danig omringt door
vrouwen dat het me de moeite niet lijkt. Ik verlaat de winkel. Iemand
is ruiten aan het wassen. Ik vraag hem of dit Aberdeen is. Hij vraagt
me of ik verdwaald ben. Ik zeg het niet echt te weten. Hij brengt me
naar zijn restaurant/eethuis. Het is een klein, rustiek huisje te
midden van grote stadsgebouwen. Alvorens naar binnen te gaan merk ik
op dat ik helemaal in het groen gekleed ben. Boven de deur hangt een
klaver. Ik zeg hem dat ik deze plek ken. Dat hier ooit een grote,
magische boom stond. Ik vertel hem volhardend en enthousiast over die
boom. Hij neemt me mee naar binnen. Daar zit zijn familie aan tafel.
Hij wil me niet meer laten gaan, omdat hij denkt dat ik en de
magische boom waar ik het over had een link hebben. En dat ik geluk
zou brengen die hij wil gebruiken om zijn eethuisje succesvol te
laten worden.
02/02/12
– 2
Ik
zit op bed in een voor mij ongekende kamer, enveloppen te doorzoeken.
Ik ben een kerel. Iemand houdt me onder schot. Zijn vuurwapen schiet
letterlijk vuur, maar kan ook eenmalig een kogel schieten. Zo nu en
dan haalt ie de trekker over. Ik ben bang dat op het moment dat hij
schiet terwijl het wapen op mij gericht is, de kogel zal komen. De
kogel staat voor een zekere dood, denk ik. Ik weet uit de kamer te
geraken. Als buitenstaander in een tafereel zie ik indianen die aan
hun haren getrokken worden. Er wordt zo hard aan getrokken dat ze
gescalpeerd worden. Ik kijk om me heen. Het geheel doet me denken aan
de film Dances with
Wolves. Ik
zie namelijk een wolf. Enkele cowboys. En Kevin
Costner lijkt
er ook rond te lopen.